Ik ben queer én gehandicapt

Josefien Cornette (die/hun) is kunstenaar-schrijver. Die heeft een multidisciplinaire praktijk met een achtergrond in kunstgeschiedenis, feminisme, queer studies en disability studies. Josefien is redacteur bij rekto:verso, waar die mee het nummer CRIP coördineerde, en werkt samen met Engagement Arts. Op dit moment focust Josefien zich op narrativiteit en getuigenissen als kunstobject en werkt die aan hun eerste boek. In 2021 won Josefien de DiverGent Scriptieprijs met ‘A House Called Pain’, een poëtische auto-etnografie over dood, rouw en beperking. Josefien schrijft in dit stuk over hoe hun ontdekkingstocht van cis-vrouw naar genderqueer zich verhoudt tot genderexpressie en het hebben van een beperking.

 

Ik ben een jonge tiener wanneer ik in de kappersstoel zit en met een grijns op mijn snoet zeg: ‘Ik wil kort haar.’ Tot grote frustratie van mijn moeder, die telkens ik mijn haar afknipte de kans zag wegglippen om mij netjes op te maken in een jurkje en met gedetailleerd opgestoken haar voor speciale feestdagen: mijn eerste en plechtige communie. Op beide kaartjes staat nu een kind met kort haar. Daar ben ik stiekem best trots op.

Mijn kindertijd was er eentje met een ziekenhuisbed. Ik herinner me hoe ik dit bed kon ombouwen tot een kamp, voor mij alleen, hoe ik op de maximale hoogte een soort gehandicapte boomhut kon bouwen, waar ik speelde met barbies en nagellak, boeken las en muziek luisterde. Een zekere gehandicapte nostalgie overvalt me als ik hieraan terugdenk.

Waarom ik kort haar wou, is me niet meer helemaal duidelijk. Maar tussen mijn herinneringen aan gehandicapte boomhutten, verkleedpartijen met geïntegreerde rolwagens en ziekenhuiscadeaus, zitten ook herinneringen omzwachteld in een donkerheid. Moeten plassen in bedpannen, mijzelf niet zelfstandig kunnen wassen, douches die uren in beslag namen, de mogelijkheid niet hebben om mijn lang haar te verzorgen of de kleren te dragen die ik wou.

Een stereotiep vrouwelijke genderexpressie uit zich, in onze omgeving, in mooie, vrouwelijke kleren, glanzend, verzorgd haar, hoge hakken en een elegantie die voortkomt uit een vloeiende, bijna mystieke mobiliteit. Geen van die zaken vond ik terug in mijn kindertijd en puberjaren. Misschien dacht mijn brein dus: ‘als ik geen verzorgd lang haar kan hebben dat me vrouwelijk doet voelen, dan gaan we maar voor een gemakkelijke, korte coupe.’

De afhankelijkheid van zorgverleners om een genderexpressie te kunnen uiten die fijn en goed voelt, is een onderwerp dat nog onbesproken is.

Ik wou een vrouw kunnen zijn in mijn rolwagen en geen persoon waarvoor gezorgd moest worden. Hoe naar mij gekeken werd, was het resultaat van een nefaste aseksualisering van personen met een beperking. Een onderdeel daarvan is de miskenning van het belang van schoonheidsrituelen en lichaams- of genderexpressie voor personen met een beperking.

De economie van zorgverleners, de onmogelijke uren die deze presteren en ergens ook een onwetenheid of vergetelheid over het belang van genderexpressie, creëert omstandigheden waarin schoonheid een teken van verzet is voor vrouwen die opgroeien met een beperking. Ik ging vaak met een korte snit of met slordig onderhouden lang haar naar school, met onopvallende kleren en orthopedische klompen als schoenen. Ik droeg nooit make-up. Doorheen mijn volledige schoolcarrière werd ik gepest en uitgesloten, mede omdat ik er niet aantrekkelijk uitzag. En zo goed als altijd door vrouwen, die de schoonheidsidealen die onze patriarchale maatschappij hun voorschrijft internaliseren. Als tiener heb ik uren gehuild om de onmogelijkheid om die idealen te kunnen najagen.

 

Josefien Cornette2
Josefien Cornette door Jo Bogaerts

 

Ik ben een jonge vrouw en ik zit op Tinder. In een bui van verveling zit ik te swipen en komt er een match tevoorschijn. Mijn foto is er bewust eentje die geen stereotiepe vrouwelijkheid toont. Mijn bio is artistiek, radicaal feministisch, queer en crip. Een man spreekt me aan met ‘Hey’ en vraagt daarna: ‘Wat is je handicap?’ De feminist killjoy in mij ontwaakt en ik antwoord: ‘Ik match met mannen die hun eigen privilege niet zien.’ Daar eindigde ook meteen het gesprek.

Een vriend van mij vertelde me ooit hoe één van zijn mannelijke vrienden naar me keek en tegen hem fluisterde: ‘Die heeft een handicap, dat moet best wel kinky zijn.’ Hij dacht dat het een compliment was, maar las enkel frustratie op mijn gezicht. ‘Hij bedoelt het goed, toch?!’, zei die vriend.

Ik zweef dus ergens tussen een exotische objectivering, een date om je lijst mee af te vinken, en het vooroordeel dat mensen met een handicap aseksueel zijn, inherent ontbrekend aan vrouwelijk sex appeal. Ik wijd die spanning aan het ‘geluk’ dat mijn beperking vaak onzichtbaar is, waardoor die mij nog ‘net neukbaar genoeg’ maakt om mee te kunnen stoefen tegen vrienden. Een specifieke soort toxische locker room talk, hoe dan ook. Tegelijkertijd werd ik vaak uitgelachen, genegeerd en gepest omwille van datzelfde uiterlijk.

Ik heb jaren mentaal geploegd over hoe ik me als vrouw met een beperking aantrekkelijk kan voelen.

Zowel een pervers seksueel exotisme als een onbewuste, goedbedoelde aseksualisering zijn giftig en gewelddadig.

Vandaag ben ik iemand. Of ik echt nog een vrouw ben, trek ik vaak in twijfel. Ik draag geen rokken. Die doen me te veel denken aan een kindertijd waarin ik niet anders kon. Ik draag zelden nog make-up en ik experimenteer met breast-binders. Er zijn dagen waarop ik fantaseer over hoe fijn het zou zijn om geen borsten te hebben of me afvraag wat een dosis testosteron met mijn lijf zou kunnen doen. Mijn schoenen zijn stoere bottines en mijn voornaamwoorden zijn die/hun en zij/haar. Maar mijn haar rijkt tot ver voorbij mijn schouders en mijn rosse lokken tonen een prerafaëlitische, androgyne nimf, die veel mensen nog altijd miskennen als vrouwelijk.

Ik ontdek, ik zoek en vraag me af hoe ik me kan verhouden in een wereld die blijkbaar maar één hokje tegelijk kan begrijpen. Maar ik ben queer én gehandicapt. In een afweging van een vrijheid van genderexpressie - een korte snit - slinger ik nog vaak terug naar hoe die mij zou doen denken aan die momenten in mijn leven waarin kort haar betekende dat ik geen schoonheid bezat. Wat rest is wachten op het moment dat ik nog eens met die grijns op mijn snoet bij de kapper zit en zeg: ‘Ik wil kort haar.’

Josefien Cornette1